Toetsing van het onderwijs
6.1 Toetsing van het onderwijs kan gebeuren door middel van:
a. Proefwerken of studietoetsen. Deze worden minimaal één week tevoren aangekondigd. Het resultaat ervan telt mee voor het rapportcijfer.
b. Mondelinge of schriftelijke overhoringen van opgegeven huiswerk. Deze worden al dan niet tevoren aangekondigd. Het resultaat ervan kan meetellen voor het rapportcijfer.
c. Diagnostische toetsen, bedoeld om de leerling en de docent inzicht te geven in hoeverre de leerstof begrepen en/of geleerd is. Deze worden al dan niet tevoren aangekondigd. Het resultaat ervan telt niet mee voor het rapportcijfer.
6.2 Van alle toetsen (proefwerken, werkstukken, spreekbeurten etc.) moet tevoren duidelijk zijn:
a. de stof, waarover de toets gaat
b. hoe het behaalde cijfer meetelt bij het vaststellen van het rapportcijfer.
6.3 Met uitzondering van de toetsenweek, waarin maximaal 3 toetsen per dag worden afgenomen, worden tijdens gewone schoolweken hoogstens 6 proefwerken per week met een maximum van 2 per dag gegeven. Extra-vakkers kunnen tijdens gewone schoolweken hoogstens 7 proefwerken per week opgegeven krijgen, met een maximum van 2 per dag. Aanbevolen wordt per dag niet meer dan één proefwerk in een moderne vreemde taal te geven.
6.4 De docent moet het werk binnen maximaal 14 dagen hebben nagekeken.
6.5 Een proefwerk wordt nabesproken wanneer een individuele leerling daarom vraagt.
6.6 Een leerling heeft altijd recht op inzage in zijn werk.
6.7 De normen worden door de docent meegedeeld en zonodig toegelicht.
6.8 In geval van fraude neemt de docent een passende (straf)maatregel.
6.9 Als een leerling op legale gronden een toets heeft gemist, neemt hij contact op met de betrokken docent over het al dan niet inhalen van het werk.